woensdag 4 juli 2007

Roken / Niet-Roken

Niet-roken’ is stilaan een religie geworden. Een perfectionistisch geloof dat, door iets NIET te doen, de gezondheid, zowel lichamelijk als moreel, als hoogste doel heeft gesteld, met als onderliggende hoop het eeuwige leven. (Zo kent een andere religie nog steeds, sinds eeuwen, een gelijkaardig geloof in de vorm van het ‘celibaat’. Naast de beloofde hel hangen er ons allerlei nare ziektes boven het hoofd, onder andere ‘doof worden’, weet je nog?)
Met de nieuwe wet op het niet-roken op de werkvloer is er een raar fenomeen ontstaan. Deze wet heeft als terechte doelstelling de niet-rokers te beschermen, dacht ik, niet de rokers te veroordelen. Niet zo! Rokers die zich braaf aan de wet onderwerpen gaan nu buiten op straat roken, in het zicht van alle voorbijgangers. En waar vroeger, voor de ‘apartheidswet’, een soort wapenstilstand werd gerespecteerd tussen niet-rokers en rokers, worden nu alle pijlen van de niet-rokers gericht op de, nu kwetsbare, dakloze rokers. Men is erin geslaagd de rokers aan de schandpaal te nagelen.
Er ontstaat nu duidelijk een activisme bij de niet-rokers die het roken ook van het straatbeeld wil bannen. En dit gebeurt, in het beste geval, door proselitisme – niet-rokende missionarissen die de rokers proberen te bekeren tot het ‘juiste’ geloof – en in het slechtste geval, door regelrechte ‘aanvallen’ van de goegemeente op de ‘zondaars’. Dit alles geïnspireerd door angst, voor het leven, voor de dood!
Persoonlijk hang ik een ander geloof aan. Sinds ik in staat ben om over leven en dood te denken weet ik dat ik dood ga. Dat maakt mij niet angstig, wel integendeel, het is de enige zekerheid die ik heb. Indien ik sterf van mijn genot, omdat ik ‘de dag pluk’ (Carpe diem) met roken (of drinken, of teveel vet te eten, …) is dat voor mij mooi meegenomen. Ik sterf liever aan epicurisme dan aan ascetisme. Maar ik probeer anderen niet te bekeren tot mijn geloof. Iedereen is vrij om het geloof aan te hangen dat het beste bij hem past. Ik ook.
De volgende keer dat ik, rustig, mijn sigaretje rook, zonder iemand hierbij lastig te vallen, hoop ik zelf ook niet lastig gevallen te worden.